Wie is nu de nar?

Cultuurtheoloog Frank ‘God is me er eentje’ Bosman heeft een nieuw boek geschreven. Als de meest creatieve katholieke publiekstheoloog van het moment, nooit om een commentaar verlegen, is dat iets om naar uit te zien. Met zijn boekjes heeft hij een uniek geluid in de Kerk. Volkomen logisch dat hij voor het feest van 900 jaar Norbertijnen van de Abdij van Berne een essay mocht schrijven over de toekomst van het religieuze leven. Heeft hij de feestvreugde verhoogd of heeft hij een twist in de aanbieding?

Bij het lezen stuit ik meteen op de ironie des levens. Bosman baseert zich onder anderen op Harvey Cox en zijn boek ‘het narrenfeest’ (1969, vertaald in het Nederlands 1970) om het religieuze leven te duiden. Toen ik -midden twintig- overspannen was geraakt in het monastieke leven, had ik Cox nodig om juist afstand te creëren. In zijn werk vond ik een nieuwe, open manier van omgaan met de christelijke traditie. Ik zocht ruimte om mijn eigen draai te kunnen geven aan wat ik geleerd had van mijn novicenmeester en het leven in de abdij. Diezelfde ruimte zoekt Bosman vanuit zijn perspectief ook.


Bosman begint zijn boekje met enkele clichébeelden van het religieuze leven en stuit daarbij op de mannelijke religieus als held, detective, kunstenaar, misdadiger en nar. De vrouwelijke religieus wordt gezien als meesteres, tiran, hysterica en ook als nar. Daarmee wordt de tweemaal genoemde nar op semi-objectieve wijze het beeld van de religieus dat Bosman verder voor ogen neemt. Want een nar is iemand die dwaasheid/vreemde dingen doen gebruikt als middel om de aandacht op God en zijn wegen te leggen. Hij daagt daarmee het gezag uit. Bosman ziet hem als een carnavalist buiten het seizoen. ‘De eeuwige nar’ dist met smaak dwazen op, met als hoogtepunt Jezus, maar ook uit het Oude Testament en de latere traditie. Het zijn deze verhalen die opening geven in een religie die regelmatig teveel lijkt te draaien om de juiste geloofswaarheid en een strikte moraal. De stukken over onder vele anderen Onesima en Bernardus zijn humoristisch en inspirerend, precies wat een nar zou moeten zijn.

Het hele boek bouwt echter op naar het laatste hoofdstuk waar de actualiteit van het religieuze leven wordt beschreven op basis van Bosman’s uitsnede uit de geschiedenis: “Wie de geschiedenis van de dwazen omwille van Christus bestudeert, van Byzantium en Rusland tot Italië en Frankrijk, valt één ding onmiskenbaar op. Bijna allemaal komen ze uit de rangen van de religieuzen.”

En dat is een interessante opmerking, want als er iets opvalt aan de hedendaagse dwazen omwille van Christus dan is het wel dat zij níet behoren tot een religieuze familie. Juist de contemporaine voorbeelden van Bosman, zoals Lady Gaga en Gerard Reve, zijn weliswaar narren, maar doen hun ding buiten het klooster. Ik meen zelfs te mogen zeggen dat ze in het religieuze leven deze rol nooit hadden kunnen spelen.

Het is dan ook de vraag wie Bosman in gedachten heeft, als hij stelt: “De postmoderne mens, die zichzelf ziet als een zichzelf realiserend autonoom individu met meer rechten dan plichten, neemt aanstoot aan de gelofte van kuisheid, schudt zijn hoofd om de gelofte van armoede, protesteert bij de gelofte van gehoorzaamheid en rilt bij de gedachte te zijn overgeleverd aan een kudde huisgenoten over wiens gezelschap hij niets te zeggen heeft gehad.” Want er is toch ook een grote groep in onze samenleving die zich wél aangesproken weet door religieuze regels, zoals die van Benedictus. En dat zijn absoluut niet alleen religieuzen.

Het laatste hoofdstuk van Bosman waar hij de evangelische raden (de eerder genoemde kuisheid, armoede en gehoorzaamheid) nagaat, zou dan ook een levensregel kunnen zijn voor alle christenen, of zelfs alle mensen van goede of dwaze wil. Bij de kuisheid citeert hij Alain de Botton: “Alleen religies nemen seks nog altijd serieus, in de zin dat ze inzien hoe machtig seks is en hoezeer seks ons van onze prioriteiten kan afleiden.” Dit zou reflecties kunnen oproepen als: Hoe ga ik om met seksualiteit? Zie ik de schoonheid, de goddelijkheid ervan in? Welke gevaren ken ik van seks? De armoede daagt uit om te werken aan een economie van genoeg. Onder gehoorzaamheid vraagt Bosman na te gaan naar welke stemmen we allemaal luisteren, bewust, maar vooral onbewust. En: naar welke stemmen zouden we willen luisteren?

Stuk voor stuk zijn dit impulsen voor ieders leven. Bosman weet niet te overtuigen waarom dit juist voor religieuzen geldt. Soms wijst hij op verschillen, zoals bij het kiezen van de leden van de gemeenschap, dat gaat immers niet op persoonlijke klik. Maar toch, ook ik leef en werk als niet-religieus met zoveel mensen samen die ik niet gekozen heb. En -o ironie- dat zijn er veel meer dan ik in een klooster ooit zou tegenkomen.

Bosman eindigt zijn essay met een oproep aan de religieuzen van nu en de toekomst: “Zolang er nog één van u in leven is, is de vlam van de dwaasheid niet gedoofd. Nog één. Die ene. Die laatste. En dan komt Hij terug, gekroond met een clownsneus, om u te kronen met een narrenkap. En tot die dag komen zal, bid voor ons, bid voor ons die de werkelijke dwazen zijn. Omwille van Christus. Hou het vol, in Godsnaam. Ook blijft er maar één over, laat die ene overblijven en getuigen van de dwaasheid, die bevrijdt.”

Maar zouden we dat niet moeten doortrekken? Zelfs als alle kloosters zouden zijn gesloten, maar er nog één persoon de naam van Jezus, de nar van Nazareth, belijdt, dan gaat de dwaasheid van het Evangelie rond. De christen van de toekomst zal een nar zijn, of hij zal niet zijn.

Frank G. Bosman is daar een uitstekend voorbeeld van. Is hij niet zelf de nar die hij beschrijft? Met zijn niet alledaagse uiterlijk, studie naar Dada en creatieve doorsteekjes van de geloofstraditie naar games en andere populaire cultuur, uiteraard ook zijn belijden van de katholieke traditie.

Daarmee is in mijn ogen het narrenfeest compleet. Wat een feestdicht moest worden op negenhonderdjaar Norbertijnen is een boek geworden over hun overbodigheid, want wat erin gezegd wordt over het religieuze leven is van toepassing op elk christelijk leven. Daarmee beantwoordt Bosman niet de vraag wat het religieuze leven aan deze wereld heeft toe te voegen, maar de vraag komt als een omkering naar de Norbertijnen terug. Wat hebben jullie als surplus ten opzichte van de dwaze christen in de wereld? Bosman beantwoordt die vraag niet voor hen, maar daagt hen uit om buiten hun gevestigde structuren en ‘normale’ gedachten te stappen.

Met ‘De eeuwige nar’ heeft Bosman interessante christelijke verhalen opgedist die op elk feestje een hit zullen zijn, maar bovenal heeft hij zijn meesterstuk geleverd, als nar.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: