Niet zwart-wit, maar alle kleuren van de regenboog

Op mijn website staan heel veel artikelen over homoseksualiteit en Kerk. Waarom vind ik dit zo’n belangrijk onderwerp? Een interview met mezelf.

Sinds wanneer ben je homo-voorvechter in de Kerk?

Nou, de vraag is of ik dat ben. Maar sinds 2010 ben ik in de openbaarheid bezig met het onderwerp. Theo Koster, dominicaan en studentenpastor in Nijmegen, vroeg me toen te preken tijdens de jaarlijkse roze viering in de Oecumenische Studentenkerk. Hij vroeg me omdat ik had meegedaan aan zijn cursus Homoseksualiteit en geloof. Dat was rond de tijd van de Reuselse homohostierel. [1] Toen had ik in het faculteitsbulletin gevraagd waarom de Nijmeegse theologen zich daar niet over hadden uitgesproken. In de wandelgangen hoorde je dat niemand iets wilde zeggen, omdat het onderwerp homoseksualiteit moeilijk lag. Alleen hoogleraar Fundamentele theologie Toine van den Hoogen heeft toen geantwoord in het bulletin. Dat gaf een interessante discussie. Daarom ben ik me meer in het onderwerp gaan verdiepen, want als je kritiek hebt op anderen als ze zwijgen, moet je zelf je mond maar open doen.

Dat was 2010, maar deze website bestaat pas een maand.

Buiten de Nijmeegse Studentenkerk met haar traditie van roze vieringen heb ik er ook niet zoveel mee gedaan. Ik ben ooit nog benaderd om in Polen iets te gaan zeggen over homoseksualiteit en de Katholieke Kerk, maar dat ging niet door.

Maar sinds een klein jaar werk ik in de Katholieke Kerk als pastoraal werker. En vanwege het in het verleden geleid hebben van die roze vieringen ben ik achter mijn rug om belasterd bij parochianen, bisschop en een Vaticaanse congregatie. Ik voelde me voor het blok gezet: angstig zwijgen en hopen dat het overwaait of juist spreken over seksualiteit en mijn eigen verhouding tot de moraal, terwijl ik eigenlijk geen behoefte heb het zo’n grote plaats in mijn leven te geven. Conform mijn karakter koos ik het laatste.

Maar is dat dan wel verstandig als het zo’n controversieel onderwerp is?

Naast de artikelen op deze website schreef ik ook een zeer gematigd stukje voor de parochie. [2] Nog nooit heb ik zoveel reacties gehad op een column. Van de ene kant zeiden mensen: Moedig dat je dit onderwerp bespreekt. Anderzijds: Is dit wel verstandig? Je beseft toch wel dat ook dit artikeltje weer als ‘bewijs’ van verkeerde ideeën naar het bisdom wordt gestuurd?

Ik had dat eerlijk gezegd niet verwacht. Het was zo’n middle of the road column. Maar blijkbaar spreek je je dan toch al uit, alleen maar omdat je het onderwerp homoseksualiteit zijdelings aanraakt. Als dat is hoe het werkt, dan zou zwijgen mij toch niet lukken. Dan kan ik maar beter helemaal laten zien wie ik ben. Zie de hele mens, zou ik willen zeggen.

Maar doet het je dan niets, deze niet helemaal welkome sfeer?

Ja. Al gebeurt het meeste niet in mijn gezicht, dus heb ik er ook minder last van. Van de andere kant is het juist die anonimiteit, het roddel-en-achterklapgehalte dat steekt. Ik ben altijd bereid om het gesprek aan te gaan met iedereen. Ik kan prima uitleggen hoe ik de katholieke leer interpreteer en in praktijk probeer te brengen, als pastor en als mens.

Maar dat er wellicht ergens mensen, die ik niet ken, bezig zijn met mijn privé-leven. Dat voelt niet echt prettig. Al weet ik van de andere kant ook niet hoeveel ik mij inbeeld en hoeveel er daadwerkelijk achter de schermen gebeurt. Maar die ‘aanklachten’ bij parochianen, bisdom en Vaticaan heb ik niet verzonnen. Daar heeft daadwerkelijk iemand zijn goede energie aan verspild.

En wat ik daarin echt moeilijk te verkroppen vind is dat mijn ideeën over homoseksualiteit en katholicisme door sommige lieden één op één gekoppeld worden aan mijn eigen leven. Alsof ik dus bezig ben met een eigen bevrijdingstrijd, mijn eigen coming out. Terwijl ik zelf denk: dit is mijn strijd eigenlijk niet.

Je houdt je met het onderwerp bezig maar het is jouw strijd niet?

Niet in de zin dat ik als homo- of biseksueel een plaats opeis in de Kerk. Ik sympathiseer met die strijd, omdat ik ermee verbonden ben geraakt, omdat ik mezelf ook wel ergens in het niet-louter-hetero-spectrum kan plaatsen en ook omdat ik mensen ken die daar echt mee worstelen of hebben geworsteld. Maar ik identificeer mij zelf niet als homo- of biseksueel en ik voel mij geen onderdeel van de LHBTI-gemeenschap. Ik ontken niet dat ook ik een seksueel wezen ben, met gevoelens en een eigen geaardheid, maar ik zie dat niet als een belangrijk onderdeel in mijn leven. Mijn identiteit is eerder: christen, katholiek, leraar, Limburger, Nijmegenaar, lid van de familie Hendriks, vriend van H. en H. en anderen, spiritueel opgevoed in abdij Lilbosch, stotteraar, schrijver, opgewonden standje, geroepen tot een biddend en lerend priesterschap. Nou ja, zoiets.

Toch moet die homo-strijd je ergens raken.

Dat doet het zeker. En ik weet ook wel dat ik profiteer van die strijd. Ze is onderdeel van een groter probleem. Homoseksuelen hebben in de Kerk een moeizame plaats, omdat er nogal zwart-wit wordt gedacht. En daar hebben veel mensen last van.

In de Kerk is het huwelijk (man-vrouw, voor het leven, open voor kinderen) de relatievorm bij uitstek. Dat staat ook voor mij buiten kijf. In zo’n relatie kunnen alle aspecten van liefde en vruchtbaarheid tot bloei komen. Maar betekent dat ook dat daardoor alle andere relatievormen volkomen slecht zijn? En dat ze dus moeten worden verboden? Nee, natuurlijk niet. Ook in die relaties zit liefde tussen mensen. Zowel liefde als mensen hebben een goddelijke oorsprong. Wellicht is dit niet de relatie waarin de toppen van mens-zijn kunnen worden bereikt (zoals overigens in veel huwelijken in de praktijk ook niet gebeurt) maar waarin wel mensen kunnen groeien, ook in hun relatie naar God en anderen toe. En wie groeit naar God zit altijd op de goede weg.

We hoeven in de Kerk geen stempel van goedkeuring te drukken op een homorelatie, maar er gewoonweg wat minder overspannen over te doen. We zijn allemaal mensen op weg naar heiligheid en iedereen doet dat op zijn of haar eigen wijze. Wees blij dat jij de weg van een ander niet hoeft te gaan. En dan moet je die weg helemaal niet nog eens moeilijker maken door verbieden, uitstoten en vernederen. Dat is volgens mij gewoon een kwestie van een gezonde pedagogiek, menselijke wellevendheid én van vertrouwen in de werking Gods. Maar dat ziet een zwart-witdenker uiteraard totaal anders.

Ook mede-Nijmegenaar Frank Boeijen had het niet zo op zwart-wit denken. “Denk in de kleur van je hart!”

Gelukkig bepalen die niet hoe ons geloof eruit ziet, want als er alleen zwart-wit zou mogen worden gedacht, zou ik niet kunnen functioneren in de Kerk. Ik ben vanuit mijn karakter iemand die dingen anders doet. En ja, dat is echt mijn strijd. Een strijd om ruimte, ademruimte. Zonder dat ga ik dood.

En dat is niet alleen in de Kerk een worsteling. Voor mij is hét voorbeeld hiervan het wegsturen van Yuri van Gelder op de Olympische Spelen 2016. Ik word daar nu weer kwaad om. Van Gelder had na zijn kwalificatie een avond in de disco doorgebracht. Dat vind ook ik een vreemde manier van je voorbereiden op een Olympische finale, maar Yuri zei: Zo doe ik dat altijd en je ziet toch dat ik presteer? De chef de mission stuurde hem toch weg, want “Zo doen we de dingen niet.” Alleen omdat Yuri van Gelder anders was, mocht hij niet meer meedoen. Dat is zo zwart-wit. En dat breekt mensen. Dat maakt ze kapot.

Dit is duidelijk wel je strijd. Je wordt er emotioneel van.

Ja. Absoluut. Iedere mens mag er zijn; ook als hij de zaken anders aanvliegt. De regenboog van de homogemeenschap, van de vredesvlag, en van het verbond van God met Noach [3] vind ik daarom zo’n goed symbool. We zijn één, we zijn verbonden, maar alle kleuren, alle schakeringen mogen er zijn. Die maken dat verbond. Ook God komt in eenheid én verscheidenheid naar ons toe.

Tijdens mijn theologie-opleiding ging het er ook altijd over, zeker bij de genoemde Toine van den Hoogen: Het christendom is én én, nooit óf óf, nooit zwart-wit. Helaas ziet niet iedereen dat zo. Terwijl het zo mooi en bevrijdend is te beseffen dat de ene uitspraak de andere niet uitsluit, maar juist verrijkt.

Maar er is toch maar één waarheid?

Dat kan kloppen, maar die waarheid is God; die kunnen wij als mensen niet bevatten. Voor ons is die waarheid niet één, maar vele. Zoals voor ons de tijd bestaat uit vele jaren, terwijl deze voor God als één moment is. Hij overziet alles. Wij niet. Dat moet ons steeds weer opnieuw nederig maken. Ook wat ik te berde breng is hooguit een voorlopig antwoord.

En zelfs als iemand die éne waarheid kent. Zou je dan alles wat niet die waarheid is willen verbieden en uitstoten? Of zou je dan die ene waarheid aan de wereld presenteren in het vertrouwen dat alle mensen er vanzelf naartoe getrokken worden? Ik vind het haast een gebrek aan geloof om alles wat je niet als waarheid ziet zo negatief te bejegenen. Waarheid, schoonheid en goedheid hebben een aantrekkingskracht uit zichzelf, uit hun goddelijke oorsprong. Al het negatieve wat je toevoegt, breekt af.

Heb je in dit interview de volle waarheid kunnen zeggen?

Nee, natuurlijk niet. Ik geloof ook niet dat ik die bezit. Nee, ik weet dat ik die níét bezit. Bovendien is dit een momentopname en zijn gedachten altijd rijker dan wat je kunt overbrengen. Ook daarvoor geldt: er is altijd meer. Een pastoor zei ooit: de Kerk is altijd breder. Breder en anders dan jij bedenken kunt.

En zo heb ik ook weer veel geleerd van het schrijven over homoseksualiteit en Kerk de afgelopen weken. Het heeft mijn geloof verdiept op onverwachte wijze. Ik had al een tijd het vermoeden dat ook ik die mens ben, waarvan Pilatus zegt: Ecce homo, zie de mens. Hij zegt dat tegen de gegeselde, naakte Jezus. Dat ben ík, daar wordt míjn onmacht en krachteloosheid geofferd. Maar de afgelopen tijd ben ik mijzelf, en eigenlijk de hele mensheid, ook gaan zien als de gewonde man langs de kant van de weg, die door de Barmhartige Samaritaan geholpen wordt. We zijn gewond, verzwakt, ook als Kerk, ook als samenleving, we komen er maar niet goed uit. Uiteindelijk zal er echter zegen zijn: Jezus! God redt!

Al kent mijn weg naar die Godsontmoeting wellicht vele dwaalsporen, laat het wel míjn weg zijn.

[1] Zie bijvoorbeeld Frits Hendriks, Pastoor moet een ruziënde buur ook de hostie weigeren, Volkskrant 19 februari 2010, via https://www.volkskrant.nl/mensen/pastoor-moet-een-ruziende-buur-ook-de-hostie-weigeren~b261b7f6/
[2] Het staat ook op deze website als Wie gaat u zegenen?
[3] Ook tijdens mijn theologiestudie leerde ik van hoogleraar Exegese Oude Testament Ellen van Wolde dat de boog in dit verhaal geen regenboog is, maar een strijdboog. Het beeld van de regenboog houdt echter in de populaire (christelijke) cultuur stand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: