Coming out het klooster

Sinds ik in 2005 weggegaan ben uit Abdij Lilbosch is mij veelvuldig gevraagd waarom ik geen boek schrijf over mijn ervaringen. Altijd heb ik dat afgehouden. Ten eerste voel ik er niets voor om te zorgen voor nog een stapel ramsj. Ten tweede zie ik op tegen het schrijfproces. En ten belangrijkste worden al die boeken geschreven door ex-kloosterlingen, terwijl mensen die hun klooster niet verlaten hebben natuurlijk beter kunnen zeggen wat het religieuze leven inhoudt.

En toch heb ik zelf heel veel van die boeken gelezen en herlezen, op zoek naar herkenning, op zoek naar bondgenootschap. Ik herinner mij als eerste het boek ‘Moeilijk te geloven’ van Suzanne van der Schot over de Fraternités de Jerusalem. Een mooi boek, maar ook onbevredigend, omdat het eigenlijk niet duidelijk wordt waarom ze uittreedt. Duidelijker was daarom ‘Leven met de beminde’ van de Megense ex-claris Agnes Holvast. Wellicht ook omdat zij negen jaar als religieuze geleefd heeft en Van der Schot net kwam kijken, alleen maar even geroken heeft. Ook herinner ik me nog het literaire ‘Roeping. Over-leven met God’ van Elisah Gommers. Dat raakte het meest aan mijn eigen ervaringen.
Zeer recent heb ik ‘Non in de bus’ gelezen van Nadia Kroon. Ik meende wel klaar te zijn met het genre, maar door diverse interviews had ik een zekere verliefde nieuwsgierigheid naar deze vrouw en haar beleving.

Er was namelijk iets nieuws wat ik in haar verhaal hoorde. Ze leek zo onbevangen rond te struinen en te grazen in het land der religieuzen. Zo rustig op zoek naar wat goed voelde, zonder de druk van een definitieve levenskeuze. In ‘Non in de bus’ lees je dat die houding Kroon niet is komen aanwaaien; dat het haar heel veel moeite heeft gekost om die onbevangenheid te kweken.
Ik hoorde haar ook in de podcast van het Jongerenklooster, zowel Nadia Kroon als die onbevangenheid. Enkele jongeren vertelden over hun ervaringen met het kloosterleven in het Jongerenklooster in de voormalige trappistenadbij Sion in Diepenveen. Ze zijn samen gaan wonen om een goede tijd te hebben. Hoe het vandaar loopt? Dat zullen ze dan wel zien en ontdekken.
Beiden hebben ze iets van: ik zoek gewoon. Een mooie houding. Ik zeg immers ook altijd tegen anderen dat ze gerust moeten uitproberen en testen en voelen of iets hun weg is.

Die onbevangenheid zou ik ook wel willen hebben. Als ik denk aan mijn kloostertijd lukt dat nog altijd niet helemaal zonder begrippen als falen, verkeerde keuzes, schaamte. Ook toen ik bij mijn hernieuwde intrede (in de Willibrordsabdij te Doetinchem) na acht maanden duidelijk wist: Dit is het niet voor mij, zag ik mijzelf toch vooral als pleefiguur. Hoe kun je na enkele maanden alweer buitenstaan? Gelukkig voor mij is dit inzicht -het monastieke leven is mooi, maar niet voor mij- bestendig gebleken.
En bovendien is het niet zo heel vreemd dat je enkel ín het klooster tot dit soort fundamentele inzichten komt. Er is namelijk niets wat het kloosterleven kan nabootsen; niet enkele maanden meeleven, niet vele jaren gesprekken voeren, niets. Ik heb zelf meegemaakt hoe iemand na een lange voorbereidingstijd, vele logeerpartijen en diepgravende gesprekken intrad, maar binnen enkele dagen gillend gek werd en toen pas zag: Dit is het niet voor mij. En eigenlijk is het heel mooi om zoiets fundamenteels over jezelf en je leven te ontdekken. Dat is dan ook een belachelijk groot succes, geen mislukking.

Als monnik in de Willibrordsabdij met het naambordje van Abdij Lilbosch

Als ik kloosters iets zou mogen aanraden, dan is het die nadruk af te halen van de gelofte voor het leven. Laat iedereen die afleggen als hij/zij daaraan toe is; en dat is in onze samenleving nu eenmaal vaak niet na vier tot zes jaar. Zeg: Kom meeleven; we zien wel waar het schip strandt. Natuurlijk mag het daarmee geen zoete inval worden, maar dat risico heb je toch ook zelf in de hand. Het klooster zelf bepaalt nog altijd wie er wordt toegelaten.
Het is anders, maar in het begin van mijn studentenleven had ik een tijdelijke kamer bij de Jezuïeten in Nijmegen. Zij lieten mij toe in hun huis en zo leerde ik iets kennen van hun spiritualiteit; die ik wel aardig vond; maar echt getrokken heeft het mij nooit. Ik ben dankbaar voor het onderdak, maar toch ook voor de wat nadere kennismaking.
Twee keer heb ik op een kruispunt in mijn leven gevraagd om ergens voor langere tijd te mogen verblijven, beide keren is dat afgehouden. Alleen als ik heel vasthoudend was geweest, had ik het wellicht mogen doen. Terwijl hoe moet je anders dieper kennismaken met dit leven?

Natuurlijk ben ik wel eens te gast geweest in gastenhuizen. Mijn eerste keer was twee dagen in Abdij Lilbosch onder leiding van Jos Stollman, mijn leraar wiskunde B op dat moment, en organisator van meditatiecursussen -waaraan ik door mijn onmogelijke rooster met Grieks en Latijn- niet kon deelnemen. Nu zou ik zeggen: “Twee dagen? Eén overnachting? Wat krijg je dan mee van het monastieke leven?” Maar als je niets weet is die minieme indruk al verpletterend. Het werd bij mij aangevuld met een zondagsmis van broeder Bernardus van Abdij Koningshoeven. Hij was recent priester gewijd en kwam in het dorp waar zijn ouders inmiddels woonde zijn ‘Eerste Mis’ vieren. Hierin preekte hij over de roeping van Samuel en zei hij: “Misschien zitten hier ook wel Samuels of Samuela’s die door de Heer geroepen worden.” Zijn verstilde manier van voorgaan en zijn jeugdigheid maakten diepe indruk. Al was het slechts een tipje van de kloostersluier, het heeft me op mijn geestelijke weg gezet.

En nu ben ik op het punt gekomen -ruim vijftien jaar na mijn weggaan uit Lilbosch en meer dan vijf jaar na mijn definitieve uittreden vanuit Doetinchem- dat ik iets van mijn ervaringen wil delen. Wellicht kan het iemand helpen. Het verhaal zou nog altijd beter zijn als het verteld werd door iemand binnen het klooster. Maar degenen die het leven daadwerkelijk leiden, kunnen er niet over schrijven en vertellen, want dan zouden ze er daardoor buiten staan. Daarom zullen mensen zoals ik wat moeten vertellen over wat die vormende tijd in het klooster gedaan heeft in ons leven. Ik heb er en petit comité wel over gesproken en als voorganger in de Oecumenische Studentenkerk Nijmegen heb ik in preken weleens wat verwerkt. Ook op deze website heeft het wel zijn sporen nagelaten. Maar als mensen me rechtstreeks naar mijn kloosterperioden vroegen, hield ik me altijd in. Al merkte ik ook hoe leuk ik het vond om erover te vertellen, toch wilde ik niet uit het klooster klappen en was er altijd wat faalschaamte. Sinds een tijd zeg ik wel dat ik spiritueel ben opgevoed in Abdij Lilbosch, een eerste stap. Daarbij komt dat nu de meeste ellende, die ik ook heb meegemaakt in de kloosters, ruim is gezakt, anekdotes die verbonden waren aan bepaalde broeders zijn tot universele verhalen geworden en ik kan tegenwoordig in grote dankbaarheid zien wat mijn monastieke leven mij tot op de dag van vandaag brengt. Daarom geef ik op 6 oktober 2021 een lezing “Mijn leven als monnik.” Uit de aanbiedingstekst: “Onze pastoraal werker heeft in zijn leven tweemaal een periode in een klooster doorgebracht. Van 2002-2007 was hij trappist van abdij Lilbosch in Echt. In 2015 woonde hij acht maanden in de Willibrord-abdij in Doetinchem. Voor het eerst vertelt hij in een lezing over zijn ervaringen daar, maar vooral wil hij laten zien hoe die kloosterjaren hem hebben gevormd. Welke vruchten plukt hij nu nog van die tijd en spiritualiteit?”

Ja, iedereen mag het voortaan weten: Ik ben ex-monnik.


geschreven in Abdij Koningshoeven

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: